Mollenvanger Freek Rechterschot

Van oktober tot en met april is AB Oost medewerker Freek Rechterschot te vinden op de dijken en rivierpercelen van het waterschap Drents Overijsselse Delta. Hij vangt daar de
mollen weg en werkt zo mee aan de veiligheid van het achterliggende land. 

Dat mollenbestrijding geen overbodige luxe is, blijkt wel uit het feit dat hij jaarlijks 500 à 600 beestjes opruimt. “In 1 seizoen had ik er zelfs 1000 gevangen. Mollen verzwakken met hun gangen de structuur van de bodem. Bij een dijk wil je dat natuurlijk helemaal niet hebben.” Maar ook veehouders zien liever geen molshopen in hun land. Grond in de kuil of hooi is een bron van infecties. Zij schakelen dus ook graag een specialist als Freek in.

“Mollen vangen is rustig en gezond werk. Tijdens het hoogseizoen doe ik het gemiddeld 20 tot 30 uur in de week. Altijd buiten in de natuur, hè! Het liefst wandel ik alle percelen af op zoek naar verse bulten. Met de auto kan ook, maar dan zie je toch minder. Ik heb standaard een breinaald en mollenklemmen bij me. De breinaald gebruik ik om in de grond te steken en te voelen waar de gangen zitten. Meestal zie ik in één oogopslag waar de mol heen gaat. In die gang plaats ik dan de klem en zet deze op scherp. Vervolgens wordt
de klem afgedekt met een verse grondplag. Daaraan herken je de echte mollenvanger. Want dankzij die plag blijft de temperatuur in de gang constant en heeft de mol niks in de gaten. Vergeet je het, dan voelt dat beestje gelijk nattigheid en kiest een andere weg.”

“Zelf heb ik het vak van mollenvanger 15 jaar geleden geleerd van een andere specialist bij AB Oost. En sindsdien leer ik eigenlijk nog elke dag bij. Wist je bijvoorbeeld dat mollen haast altijd weer door hun hoofdgangen terug kruipen, op zoek naar de sloot om water te drinken. Wat je ook snel leert, is dat je aanwezigheid door recreanten niet altijd op prijs wordt gesteld. Ze vinden het zielig. Ik probeer altijd 1 à 2 keer per week mijn klemmen te controleren en ruim de dode mollen altijd netjes op. Je moet toch aan je imago denken.”